November bloem
Hij was een laatbloeier
Een november bloem
Ik kende alleen tulpen en narcissen
Maar besloot het te proberen
Gaf hem water en lieve woordjes
Soms tegen de verdrinking aan
Of liet hem haast verdorren
Bij het leren kennen van zijn wortels
Hij liet zich bestuderen
Wende aan mijn handen in zijn aarde
En mijn vingers kleurde groen
Voor de november bloem
Er werd niet geplunderd
Er werd niet geplunderd.
Maar omcirkeld met verleiding
tot de verdediging uiteen viel.
Opwinding in het brein gemasseerd
tot een onvervalste smachting door slappe knieën raasde.
En als marionettenpoppen aan touwtjes
begonnen we onfatsoenlijk te bewegen.
Beangstigd door het verlangen.
De beweeglijkheid daarvan.
Zoeken we naar een schuilplaats
voor de gevreesde inwisselbaarheid.
In ons weerzien vinden we beschutting.
En we besluiten ons strijdvaardig te amuseren.
Te riskeren elkaar te gaan bezeren.
En dat dat geen ramp is
Als we leren hoe we de wonden moeten verbinden.
Alle onbegrepen harten
Ik heb ze bonzend op mijn schoot
Hun eenzaamheid verken ik
Waar hun pompende bloed mij binnendringt
Ik wieg het voor ze in mijn kieren
En troost hun droefheid
Tot de tranen die van mij geworden zijn
Als je eerste thuis verdoofd was
Niet tussen bakstenen muren.
Niet onder dakpannen.
Maar in de armen van vreemden.
Die in de gewenning van het rondtrekken zo vreemd niet voelen.
In de zinnen en zoentjes van de buitenbeentjes.
In de mogelijkheid dat je struikelt.
Jezelf daardoor bezeert of in je broek plast van het lachen.
In liedjes die als een onzichtbare omhulsel voelen
En de alledaagse geluiden overmannen.
In het zwijmelen,
in het dansen.
Het zweten en de zere voeten daarvan.
In plekken met schaamteloos verdriet
En plekken waar voluit gevierd wordt.
Daar waar ik misselijk word van de levendigheid
Vind ik een thuis in het tegendeel van de verdoofdheid.
Mezelf onder de loep I
Bewonderd en bekritiseerd.
neem ik mezelf onder de loep.
Op de vluchtstrook wordt mijn ziel steeds beurser.
Mijn hoofd raakt sluimerend verstrooid.
De omgeving danst steeds wilder.
En mijn ogen registreren alles enkel nog als een duizeling.
Wat er ooit uitzag als vrijheid lijkt plots het gevaar te worden.
Het is de ontsnapping die me gevangen dreigt te nemen.
En aan de warmte begin ik me te branden.
Vluchten voelt niet meer als weggaan van gevaar.
Maar als een val op een rotonde.
Met mezelf onder de loep zie ik.
Dat ik misschien wel nooit ben gevlucht.
Maar in een poging tot,
Enkel ben afgeleid.
Alleen zijn voelt als een prooi op een open vlakte.
In het vizier van stropers, kwetsbaar voor verwondingen.
De gedachte heelhuids rond te kunnen dartelen
brengt me van de koude kermis thuis.
Maar thuis ligt nog een trui
van een jonge die niet stropen kan.
Hij ruikt naar een vreemde vogel.
Naar onhandig maar betrouwbaar.
Naar provocerende grapjes,
en luisterende flaporen.
De geur troost mijn reeds opgelopen intimiteitvrees .
En het vertrouwd ruikende kledingstuk verteld
dat het warm houden van de drager
niet de enige functie van de trui is.
Ik zeg strategisch onze toekomstige afspraken af.
Niet van plan hem terug te geven.
Tot hij is vergeten dat hij die trui ooit heeft gehad.
Beurs Fruit
Dat je me innig omhelst wanneer ik me onthul.
Ik me zonder schil diep in je armen kan nestelen.
Dat je op de rotte plekjes die dan tevoorschijn komen reageert zoals mijn oma dat deed op beurs fruit.
´´Daar krijgen we weerstand van´´.
Dat je me dan dapper verslind.
Souvenir van haar
Ik weiger terug te deinzen voor de provocatie die tussen je lippen plaatsvindt.
Ik kus ze zachtjes,
En kijk de onrust in je ogen aan.
Je onbetrouwbaarheid ken ik als mijn moeder
En jou aanraken maakt haar boodschap tastbaar.
We omstrengelen ons.
En in elkaars armen lees ik
Dat je vandaag van me houdt
Maar dat morgen waarschijnlijk niet meer weet.
Ik observeer je.
Je verschijning lijkt voor even gekaapt
Door wat ik me van haar herinner.
En ik kan niet anders dan geloven dat ik je wil koesteren.
Als een souvenir van haar.